« Terug naar de woordenlijst

Gen

Een gen is een stuk DNA waaraan een eiwit kan koppelen en dat daarmee een bepaalde eigenschap bepaalt. Alle genen samen bepalen het functioneren van de cellen waaruit het lichaam is opgebouwd

Een gen is de biologische eenheid van erfelijkheid. Wanneer dit stuk chromosoom verder zou opgedeeld worden, zou het zijn karakteristieke vermogen verliezen om het betrokken product aan te maken, en om zich te reproduceren. Het gen is dus de fundamentele eenheid van de erfelijkheid en de evolutie, maar ook van levensprocessen zoals de groei, de ontwikkeling en de voortplanting. De mens heeft circa 30.000 tot 40.000 genen. Een gen bestaat uit een gedeelte van DNA. Bij sommige virussen bestaan de genen uit RNA. Het DNA en het RNA zijn te beschouwen als lange ketens van bepaalde chemische stoffen.

De volgorde van enkele tientallen tot honderden van deze chemische stoffen in een keten DNA of RNA vormt voor het lichaam als het ware de sleutel voor de aanmaak van één specifiek enzym of eiwit. Door deze enzymen en eiwitten worden de hele opbouw en het functioneren van het lichaam bepaald. Sommige genen worden alleen afgelezen tijdens de ontwikkeling van het embryo, andere alleen tijdens de ontwikkeling van kind naar volwassene. Nadat een gen is afgelezen, ontstaat een eiwit. Indien genen op het verkeerde tijdstip worden afgelezen, ontstaan er eiwitten op de verkeerde momenten. Hierdoor kan een cel ontsporen, hetgeen kan leiden tot de dood van de cel, of juist tot ongebreidelde groei (gezwel).

Het RNA of DNA vormt samen met omhullende stoffen een chromosoom. Door inwerking van uitwendige factoren (bijv. ioniserende straling), maar ook spontaan, kunnen genen veranderen. Als er een mutatie optreedt in de lichaamscellen, kan bijvoorbeeld kanker ontstaan. Mutaties die optreden in de geslachtscellen kunnen worden doorgegeven naar volgende generaties en daar dan pas tot uiting komen.

Synoniemen:
genen, gen
« Terug naar de woordenlijst